Kleuren met kurkuma, avocado en rode kool

De meest saaie reststoffen kun je prachtig kleuren met gewone groenten- en wortelresten, plus wat soda en azijn.

In mijn eerste negen blogs heb ik al over veel geschreven: over de eindeloze hoeveelheid leuke tassen, kussens, portemonnees, servetten, boekenleggers, etuis en vele andere handige producten die je kunt maken van handdoek, stofstalen en spijkergoed, over de (beperkte) mogelijkheden om met resten in serie te werken, over de rust die iets tastbaars maken kan geven, over upcycling en upscaling, over hoe je in wandkleden materiaaleigenschappen kunt onderzoeken, over waar het woord ‘rest’ vandaan komt.

Maar wat ik nu, sinds ik begon met deze studio, het allerverrassends vond is dit: de meest saaie en ‘foute’ reststoffen kun je prachtig kleuren met gewone groenten- en wortelresten, plus wat soda en azijn. Neem een paar rode koolbladeren, kook die in water, en de daarin sudderende lapjes witte handdoek of katoenen gordijnrest kleuren helder paars. Doe er wat azijn bij, ze veranderen in roze, doe er wat soda bij, ze worden groen of, bij wat meer, blauwpaars. Lapjes in water met kurkuma kleuren helder geel, met gekookte avocadopit bruinrood, en met rode biet helder rood. Oranje en bijvoorbeeld lichtgroen, zalm of lichtblauw krijg je met mengingen. Lichtere kleuren krijg je door de lapjes eerst te verzadigen met water, zodat ze minder kleurstof opnemen.

Delen van het wandkleed dat ik maakte van gekleurde lapjes versleten handdoek.

Begin december 2019 kwam ik bij toeval op het idee te gaan kleuren toen ik een keer, na het snijden van kurkuma, mijn handen niet goed schoon kreeg. Al binnen een half uur had ik schitterend gele lapjes, dezelfde dag fietste ik nog naar de winkel voor rode kool. Daarna lagen weken lang lapjes in uiteenlopende tinten onder de verwarming te drogen.

Tasje van met natuurlijke verven gekleurde stukjes laken en restjes ongebleekt katoenen gordijn. Met propjes rode kool en kurkuma wortelstukjes (met of zonder soda) kun je ook stempelen.

Flabbergasted

Ik was helemaal flabbergasted. Al die jaren dat ik scheikunde tot en met zes atheneum had gedaan, een academische graad haalde in de Moleculaire wetenschappen, en ook nog eens als scheikundedocent werkte, had ik me nooit gerealiseerd dat het zo eenvoudig en goedkoop was om stoffen te verven. Maar even googlen leerde later dat er wel instructie artikelen, boeken en filmpjes zijn – zoals dit Amerikaanse on-line overzicht over hoe je allerlei planten ervoor kunt gebruiken, en het recent in Nederland uitgekomen boek Eco-verf. Sommige instructies maken ook een koppeling naar scheikundeformules zoals dit lesfilmpje, waarin de hoofdpersoon met rode kool en kurkuma een t-shirt kleurt.

Wat bleek nu precies (zie de tinten in dit stuk wandkleed)? Rode koolsap verkleurt met azijnzuur meteen roze, en met soda (base) tot blauw, terwijl rode bietensap en avocadopittensap ook met zuur en soda hetzelfde rood/roodbruin blijft. Kurkumasap blijft met zuur hetzelfde geel, en met soda wordt het oranjerood. Toch even mijn oude leerboeken en Internet erbij gehaald: het lijkt erop dat rode kool de anthocyanide kleurstof pelargonidin heeft, die met wat extra base in het violet kleurend cyanidin (extra OH groep) en het blauw kleurend delphinidin (twee extra OH-groepen) worden omgezet. En dat rode biet een of meer van de 600 carotenoïden hebben. Kurkuma heeft weer een andere klasse kleurstof, curcumine die, gezien de chemische formule, ook wel een basegroep extra lijkt te kunnen gebruiken (dus verkleurt bij soda).

Ik zocht in de literatuur naar meer ideeën, en een wereld van plantenverfhistorie, handelsbelangen en hiermee samenhangende oorlogen ging voor me open. Meekrap, indigo, wouw, galappels, wede, met tientallen planten hebben allerlei volkeren eeuwenlang de prachtigste en duurste stoffen gemaakt die langs Zijde- VOC- en andere routes werden verhandeld, tot ongeveer 1870-1880, toen in opvallend korte tijd de natuurlijke verfstoffen werden vervangen door synthetische. Tja.

Wat ik zelf een goede inleiding in de geschiedenis van verfstoffen vond is Natuurlijk verven, een paar jaar geleden uitgegeven door het Textielmuseum.

Nieuwjaarskaarten met boekenleggers die ik maakte van witte handdoek gekleurd met kurkuma uit tuinbouwontwikkelingsorganisatiegebied Nextgarden in Lingerwaard (Gelderland). Vijf partners hebben er, in een bestaande kas, 1000 vierkante meter ingericht om te kijken of het nu nog uit de tropen komende peper en kurkuma hier zijn te veredelen en verbouwen, of er afzetmarkt voor is, en bijvoorbeeld ook wat het voor de herkomstlanden zou betekenen als de gewassen ook hier zouden worden verbouwd.

Bourgondisch zwart

Waar ik natuurlijk meteen ben geweest, toen hij net open was, is de tentoonstelling van de Nederlandse textielkunstenaar Claudy Jongstra in de Lakenhal in Leiden (tot 28 februari). Zij gebruikt al jarenlang natuurlijke verven, waarvoor ze ook zelf met haar team verfplanten verbouwt in haar eigen tuin in Friesland, en in de Botanische tuin in Leiden. In deze film laat ze zien hoe ze voor deze tentoonstelling  trachtte het Bourgondisch zwart van de vroegere (wollen) lakens die vanuit Leiden werden verkocht weer terug te krijgen. Bourgondisch zwart laken (ook op de tentoonstelling te zien) werd gemaakt door de fijn geweven wol te verven met aftreksels van walnoot, het blad van wede, indigo en soms ook nog cochenille. In de film is ook een vroeger staalboek met allerlei typen zwarte lakens te zien. Daarin zaten 180 verschillende stoffen, miljoenen guldens ging in de, door de mannen van het lakengilde gecontroleerde handel om. Hoe de gezinnen, vaak onder armoedige omstandigheden, schapen hielden en schoren, hoe ze wol sponnen en kleurden: processen, kwaliteiten en prijzen werden uiteindelijk door zo’n gilde bepaald.  

Op deze foto, gemaakt in de Lakenhal in Leiden is Nine te zien, het met wol en katoen geweven vloerkleed. En, aan de muur, Cosmic cry.

Inmiddels is het Boro-atelier in Amsterdam gespecialiseerd in het natuurlijk verven van (gebruikt) textiel.

Stof bewerken voor een betere stemming

De rustgevende werking van iets (af) kunnen maken is algemeen bekend. Het geldt zeker ook voor het werken met textiel, en dat is nog maar een van de waardes die het heeft. 

Afgelopen jaar heb ik, van allerlei restlappen, zeker twintig tassen gemaakt; schoudertassen, shoppers, yogatassen, laptophoezen…. Daarbij merkte ik hoe leuk dat werk was. Ik heb niet zo snel last van een slecht humeur, maar als ik me toch eens ongelukkig voel blijkt het vaak te helpen iets moois en/of nuttigs te gaan maken. Ik kan werkelijk ineens weer helemaal opleven als een vriendin, achternichtje, vroegere collega of kennis van een kennis alleen maar laat doorschemeren het wel leuk te vinden om, misschien, bij haar blauwe jas …..  

Repareren van een tas is ook prima, en het helpt ook als ik zelf bedenk dat ik bij die en die jurk, die ik mogelijk dan en dan ga dragen, weleens een tas kan gaan maken. En dat dan ook doe.

Tas van de resten van oude spijkerbroeken en ongebleekt katoenen gordijn voor mijn vriendin

Brood bakken

De rustgevende invloed van het iets kunnen maken is algemeen bekend. Voor veel mensen (alle?) is het belangrijk dat hun handen resultaten voortbrengen die ze kunnen zien en voelen, blijkt uit studies die de Correspondent aanhaalt in Onze handen helpen ons beter denken en voelen. Zulke zichtbare resultaten geven een gevoel van controle en grip op de wereld. Je neemt je zogezegd voor om iets bepaalds te doen op een middag, of in een bepaalde week, doet het, en vervolgens lukt het ook, of in ieder geval steeds beter. Dat kan ook brood bakken zijn, bomen planten of onkruid wieden (met als beloning die mooie tuin). Maar wellicht ook een blog schrijven (ik vond het wel fijn toen ik deze min of meer af had), of een muziekstuk uitvoeren.

Soldatenborduurindustrie

Een van de mooiste historische voorbeelden waarbij met stof de stemming werd verbeterd is de Disabled Soldier’s Embroidery Industry. Engelse mannen die gehandicapt in 1918 uit de loopgraven kwamen, kregen naai- en borduurpakketten aangeboden om verveling tegen te gaan, trauma’s te verwerken en wat bij te verdienen. Ook dat laatste was belangrijk, vond mede-oprichter Ernest Thesiger, beroemd filmacteur en zelf enthousiast borduurder sinds hij zijn handen in de Eerste Wereldoorlog had verwond. Bij kunnen dragen aan het huishouden gaf immers ook eigenwaarde. In 1927 had de Industry 100 man aan het werk, en 60.000 pond in kas. De beste borduurders maakten lopers, wandbedekkingen, stoelbekledingen en kussens in opdracht van kerken en de rijken, en sommigen ontwierpen zelf ook patronen, het werk van anderen werd verkocht in winkels voor de middenstand. Wat hielp bij de marketing was dat de oprichters linken wist te leggen met belangrijke fabrikanten, zoals Pearsall’s die zijde en wollen draden beschikbaar stelde, en Weldon’s die adverteerde met borduurworkshops en patronen.

Op 500.000 gehandicapte Engelse oorlogsveteranen waren 100 mannen niet zoveel. Maar de symbolische en emancipatoire waarde dat mannen gingen borduren, en dat ook heel goed bleken te kunnen, was groot, legt de Ierse design onderzoekerJoseph McBrinn uit in een open essay. Ook andere mannen gingen daardoor borduren, en zich daardoor wellicht beter voelen. Op een gegeven moment schijnt queen Mary, die regelmatig tentoonstellingen bezocht, uitgeroepen te hebben dat ‘Lord Guinford net zo’n expert was in borduren als in paardrijden’. In 1955 ging deze borduurindustrie ter ziele, nadat enkele belangrijke oprichters/docenten en sympathiserende leden van het koninklijk huis waren overleden.

Na de Eerste Wereldoorlog gingen teruggekeerde Engelse soldaten borduren

Nationale Feestrok

Ook rustgevende én emancipatoire en waarschijnlijk ook gezelligheidswaarde, maar dan vooral voor vrouwen, had na 1945 in Nederland het verbindende project Nationale Feestrok, ook wel Bevrijdingsrok of Levensrok genoemd. De rok stond voor harmonie, saamhorigheid en samenwerking. Zoals de oproep in damesbladen, ondertekend door vrouwenrechtenvoorvechtster en schoonheidsspecialiste Mies Boissevain-Van Lennep het verwoordde: ‘De rok wil uitdrukking geven aan de gedachte, dat de mens altijd onderdeel blijft van zijn volk; (…) Vrouwen zijn degenen, die de saamhorigheid hecht maken door het werk van haar handen en haar hart.’ (Mies had in 1937 eerder ook al met vriendinnen een ‘briefkaartenregen’ georganiseerd aan minister Romme van Sociale Zaken, die betaalde arbeid van vrouwen buitenshuis nagenoeg wilde verbieden).

Vrouwen werden, onder andere via een damesblad, opgeroepen een rok te maken van stukjes gedragen kleren die voor hen emotionele waarde hadden. Daarbij werden ze gevraagd een ontwerp te volgen: bijvoorbeeld de zoom moest uit effen driehoeken bestaan, en de bevrijdingsdatum moest in het midden worden geborduurd, andere herinneringen konden er (later) ook op worden geborduurd. Moeders zouden hem moeten nalaten aan hun oudste dochter zodat zo een ‘rokkengeschiedenis’ zou ontstaan. Uiteindelijk hebben vrouwen de rok op nationale feestdagen gedragen, en zijn zo’n 4000 rokken geregistreerd in het archief van de Vrouwenbeweging op de Keizersgracht in Amsterdam.

Een van de bewaarde bevrijdingsrokken, nog eens tentoongesteld in de expositie Weef, in Museum Flehite in Amersfoort (oktober/november 2020)

Laptoptassen en een geborduurd bos

Ook nu zijn er gezamenlijke initiatieven waarin het werken met textiel meerdere waardes heeft. De in Nederland onlangs opgerichte sociale onderneming I-did – met een vestiging in Utrecht en Den Haag – combineert meerdere waardes. Behalve dat de medewerkers laptoptassen, acoustische interieurproducten en assesoires (leren) maken van gerecycled vilt, krijgen ze ook communicatielessen in het bedrijf, met als doel daarna door te kunnen stromen naar een betaalde baan.

En vanaf maart is in Panorama Mesdag het prachtige multimediale en gezamenlijke borduurproject Honderdduizend bomen en een bos van draad te zien, geleid door kunstenaar Sara Vrucht. In 2020 konden mensen in vier pop-up-ateliers, waaronder Museumfabriek Enschede en Botanische tuin Leiden, meeborduren aan een groot bos waar je straks doorheen kunt lopen, en dat uiteindelijk ook tot nieuwe, echte bomen kan leiden vanwege de zaden die erin zijn gebracht en de oproep tot donaties aan het planten van bomen door onder andere natuurorganisatie IVN. In het werk zijn herinneringen en ervaringen van deelnemers met bos en natuur verwerkt.

Nog een voorbeeld van hoe je een herinnering aan een product kunt meegeven: Deze tas maakte ik van de versleten hangmat van en voor mijn nichtjes, die jaren in de tuin in die hangmat hadden gelegen. Voor de tas had ik eerst de beste stukken eruit uitgeknipt, en daarna de kleine, beschadigde plekjes weggewerkt met band en kraaltjes.
De minder goede delen gebruikte ik in een tweede tas als band, en als voering/versteviging.

Dichten op zijde

Over hoe twee beroemde Chinese kunstenaars eeuwen geleden hun verlangens in stof uitdrukte

Een van de leukste kanten van textielarbeid is dat er zoveel stof in zit voor verhalen. En verhalen, zeker van het type: er was eens ergens ver weg…., zijn weer leuk omdat ze stimuleren tot nadenken over hoe het ook anders geweest had kunnen zijn, als er andere waarden en normen zouden heersen. Ik pak er hier twee, uit de vele die de Engelse cultuurjournalist Kassia St Clair aanhaalde in haar textiel-historisch boek De Gouden Draad. Allebei verhalen ze over het verlangen van vrouwen naar hun man.

Ontredderd

In de vierde eeuw was er in China een vrouw, Su hui geheten, die helemaal ontredderd was omdat haar man, een hoge ambtenaar, zich in een ver woestijngebied bevond en haar daar ook nog eens ontrouw was. Ze ging echter niet bij de pakken neerzitten maar zette haar verdriet en boosheid om in een gedicht op zijde, een eigen ontworpen palindroom van 29 maal 29 (= 841) keurig geborduurde karakters. Niet alleen kunnen Chinezen deze tekens omkeerbaar lezen, van bovenaan rechts naar beneden en andersom, ze kunnen ook in elke richting door de tekst dwalen: horizontaal, verticaal of diagonaal, waardoor het werk meer dan drieduizend mogelijke gedichten bevat. Su hui stuurde de geborduurde zijde naar haar man, Dou Tao, en volgens de overlevering was hij zo onder de indruk dat hij bij haar terug kwam.

Su hui en haar palindroom, geschilderd met inkt op zijde in – waarschijnlijk – de zeventiende eeuw (nu in Harvard Museum). In Europa werkt nu de Norwich University aan een vertaling van het gedicht van deze vrouwelijke dichter/borduurster.

Dan het verhaal van de twaalfde-eeuwse Chinese keizer Huizong (1082-1135), ook aangehaald in De Gouden Draad. Politiek werd deze keizer van de Song dynasty gezien als een loser, omdat hij zijn troon aan naburige Jurchen verloor. Maar zijn talenten als kunstenaar werden alom erkend. Hij speelde guqin, hij dichtte, kalligrafeerde en schilderde. Een van zijn mooiste schilderijen is het ‘Hofdames bezig met het voorbereiden van pasgeweven zijde’ dat hij kopieerde van Zhang Xuan, die het in de achtste eeuw schilderde.

Gekapte concubines

Te zien is hoe groepen schitterend geklede en gekapte keizerlijke concubines nieuw geweven zijde wassen, strijken en naaien, in een jaarlijks zijderitueel, gongkan geheten. Mogelijk dat de keizer/schilder met de taferelen zinspeelde op de erotische poëzie, waarin bijvoorbeeld het kloppen van doek vaak diende als eufemisme voor de vrouwelijke lust.

Kopie van ‘Hofdames bezig met het voorbereiden van pas geweven zijde’, inkt, kleurstoffen en goud op lange rol zijde (Museum of fine arts Boston).

St Clair schrijft dat de keizer, ‘via zijn zijden schildersdoek wilde laten zien dat deze prachtige, in zijde gehulde vrouwen hun onvervulde verlangen naar hem stilden door nog meer zijde te maken’, en daarbij haalt ze twee (mannelijke) auteurs aan. Maar dan denk ik toch: heeft hij dit verlangen inderdaad gehad of had hij, ten tijde van dit schilderij (ook) andere verlangens in zake zijn concubines? Kan de schildering niet net zo goed getuigen van, bijvoorbeeld, de liefde of bewondering van Huizong voor zijn concubines (of eentje?), gezien de schitterende details die hij in de jurken en kapsels aanbracht?

Alleen zijn

Waarbij ik me meteen afvraag hoe zeker de geschiedschrijvers eigenlijk weten dat Su hui borduurde uit ontreddering en verlangen naar haar man Dou Tao. Misschien vond ze het (ook wel) heerlijk alleen te zijn, omdat ze dan veel tijd had om lekker te borduren. En stuurde ze de zijde op omdat ze graag wilde dat de mensen in de woestijn haar werk ook zagen.

Wat is het (echte) verhaal achter deze anno 2020  in Nederland gemaakte omkeerbare tas van drie restlappen? Bijvoorbeeld dat de maker (ik dus) graag een tweeledig duurzame tas wilde: hij is namelijk gemaakt van reststoffen, en als hij vuil wordt kun je hem omdraaien waardoor je hem minder vaak hoeft te wassen (wat ook water en zeep bespaart)

En/of: de maker wilde een tas die bij haar rode bamboe jurk past

En/of: de maker had al een roze/rode portemonnee en telefoonhoes gemaakt, en wilde er een bijpassende tas bij (en had toevallig ook rood/roze stof in voorraad).

En/of: de maker had gewoon veel zin om gewoon iets te naaien, en had toevallig deze drie lappen liggen.

En/of: de maker was een onderzoek naar hergebruik reststoffen gestart en dacht: een goede bestemming is tassen dus laat ik daarmee aan de slag gaan.

En/of: de maker was, na 25 jaar te hebben gewerkt als wetenschapsjournalist op zoek naar nieuw werk, en dacht: misschien kan ik over het maken van tassen gaan schrijven…

En/of: ….

Schoonheid bereiken met gerafelde staallapjes

Om snel de prachtige verfijning te krijgen van Nederlandse quilts, vlocht ik gerafelde repen staallapjes tot een palet van 250 vierkantjes. Die verfijning verkreeg ik niet. Mogelijk is voor dat type schoonheidsbeleving (ik noem het maar even verfijning) toch meer regelmaat en nette afwerking nodig.

Afgelopen 200 jaar hebben stofproducenten voor meubels, tafelkleden en gordijnen duizenden staalboeken gemaakt met samen een oneindige hoeveelheid aan kleurige lapjes met bloemen-, streepjes- en andere patronen. Dat is, om te beginnen, historisch interessant:

Oud staalboek van tafellinnen stoffen van linnenweverij Van Dissel uit Eindhoven. Hun designer Chris Leveau ontwierp voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog in het linnen meer dan 50 patronen met bloemen, dieren en geometrische vormen. Het staalboek, met veel van die patronen, is te zien in de tentoonstelling Damast – 150 jaar tafellinnen in Nederland in het Textielmuseum.

Voor mij waren afgelopen jaar staalboeken ook interessant, omdat je met de lapjes zo goed kan quilten en patchworken. Voor vijf euro per stuk vond ik in een kringloopwinkel drie staalboeken. Zo had ik al snel thuis ineens meer dan 200 allemaal verschillende staallapjes in groene, rode, blauwe  en gele tinten.

Ik tornde de lapjes los, en van de met karton verstevigde randen vlocht ik een fleurige, stevige tas om ze in te doen. Over dit hergebruik was ik erg tevreden, omdat ik van te voren dacht: hiermee iets doen gaat echt niet lukken… En deze handwerktas heb ik nu nog in onze huiskamer staan.

Vervolgens startte ik met quilten. Dat wil zeggen: met het naaien van het type patchwork lappen die vrouwen eeuwenlang voor rokken, kleden of bijvoorbeeld dekens maakten. Al proberend kwam ik erachter dat ik ‘rustige’ lapjes moest afwisselen met drukke lapjes, en op een klein oppervlak ook niet te veel kleuren moest gebruiken. Zo slaagde ik er uiteindelijk in kussens voor de bank van mijn oudste dochter te maken, waarbij ik een beperkt aantal staallapjes combineerde met een grotere, effen restlap die ik nog had liggen. Ook lukte een kussen van maar twee kleuren, omdat ik toevallig één staalboek vond met relatief grote lappen (ongeveer 30 bij 30 centimeter), waardoor ik wel voldoende kon herhalen.

Eenvoudig patchwork kussen van enkele, op elkaar lijkende lapjes. Achteraf denk ik dat het mooier is om kleinere lapjes te gebruiken.

Zijde en sits

Dat ik moet afwisselen tussen druk en rustig (of donker en licht) had ik kunnen weten, realiseerde ik me deze week bij het lezen van de Geschiedenis van de Nederlandse quilt van Ann Moonen. Kijk naar de professionele Nederlandse professionele quilts (ook moderne). Vanaf de zeventiende eeuw kende Nederland een levendige quilt traditie vanwege zijn handel in zijde en sits (glanzende, met bloemen bedrukte katoen uit India). Welke schitterende patchwork lap je in An Moonen’s boek ook bestudeert, er is een afwisseling van bedrukt (vaak donker) en (bijna) effen – het effen is vaak wit met een hele kleine, fijne tekening.

Rafelen

Maar ook met afwisseling vond ik de staallapjes niet ideaal om te patchworken. Misschien door het type stof (niet alle lapjes zijn katoen), of misschien omdat je van elk lapje maar 1 exemplaar hebt, waardoor je minder kunt herhalen. Juist terugkerende motieven zijn in quilts vaak zo mooi. Ik zocht daarom ook naar alternatieve technieken, zoals de zomen aan de achterkant rafelen en dat werk versieren met knoopjes (zie foto tasje).

Staallapjes zijn erg geschikt om te rafelen, zoals in dit patchwork schoudertasje.

Uiteindelijk vlocht ik van gerafelde repen een groen met rood afgewisseld wandkleed voor de gang – ik hoopte zo sneller dan op de traditionele manier de verfijning te bereiken van het zo mooie, fijngemaasde patchwork dat ik op Internet zo vaak had gezien. Met bij mij dan ook nog eens, extra, duizenden fijne vezeltjes vanwege die rafels.

Tulpen en theehuisjes

Over de balans tussen groen (‘rust’) en rood (‘actie’) was ik, na het een paar keer uithalen en weer vlechten, redelijk tevreden. Maar om het verfijnder te maken moest ik er nog wel op borduren. Uiteindelijk heb ik er misschien vijftig of honderdvijftig uur met plezier aan gewerkt, en het staat leuk in onze gang (zie foto).

Maar eerlijk, de verfijning haalt het toch echt bij lange na niet bij de meeste traditionele quilts uit het boek van An Moonen. Met als topstuk wel die schitterende lap uit Utrecht, van circa 1830. Ruim 3000 perfect uitgeknipte katoenen driehoekjes telde ik, die keurig netjes met de hand eerst aan elkaar, en daarna op linnen genaaid waren – ‘geen rafeltje te bekennen’, schrijft Moonen. Waarna de naaister (of naaier?) ook nog eens een rand heeft geappliqueerd met tientallen levensechte rozen, tulpen, pauwen en theehuisjes in de juiste verhoudingen. Het moet, daar in het Gooi begin negentiende eeuw, om vele honderden uren zijn gegaan. Misschien heeft er een hele familie aan gewerkt, of is het een project over meerdere generaties geweest.

Regelmaat

En dat deed me afvragen waarin nu de verfijning en daardoor ervaren schoonheid van een quilt of patchwork kleed zit. Is het de regelmaat van de allemaal even grote vakjes, en daarmee de voorspelbaarheid? Rafels maken het fijner, maar ook onregelmatig. Maar misschien is het vooral dat de gevlochten blokjes in mijn wandkleed allemaal van net even van een andere grootte, en vaak ook nog wat schots en scheef zijn. Ik weet niet of het technisch mogelijk is om keurig recht te vlechten, en dan te rafelen. Misschien moet ik, voor die verfijning, toch gewoon nog eens proberen om op de klassieke manier met staallapjes te patchworken, maar dan met netjes gesneden veel kleinere vierkantjes en gecombineerde driehoekjes.

Regelmaat (in de zin van terugkerende maten of getalsverhoudingen) kan een aspect van verfijning of schoonheid zijn. Maar een wandkleed/patchwork moet natuurlijk ook weer niet te voorspelbaar (is saai) gaan worden. Vandaar dat afwisseling in kleur en combinaties natuurlijk ook belangrijk is.

Bij deze mooie, moderne Nederlandse quilt (zie Dutchquilt.com) zijn ook honderden lapjes netjes aan elkaar genaaid. Regelmaat zit hem hier in de afmetingen van de afzonderlijke blokjes, die allemaal (alleen of met een paar samengevoegd) precies even groot zijn. Saai is het zeker niet, onder andere omdat elke grotere blok anders is samengesteld.

Buitenlandse quilts en patchwork zijn te zien bij het international quilt museum  

Zie hier vijf manieren van quilter Karen Brown om te quilten met restjes stof. 

Staallapjes bleken ook geschikt om een versleten Indonesische wajang pop opnieuw aan te kleden

Zie voor meer producten van staallapjes: ‘Staalstoffen portemonnee in serie’

Verliefd op upcyclen

Het is alweer ruim een jaar geleden dat ik startte als restoffenverwerker. Langzamerhand ben ik, met ook nog een klein groente- en fruithoekje in onze tuin, in een heel andere economie beland dan toen ik nog werkte als wetenschapsjournalist, eentje met een minder duidelijke of in ieder geval andere relatie tussen producten, het geld dat ze kostten, en de waarde die ik eraan toeken.

De blauwe laptophoes, de rode stoffen portemonnee, de zachte groene brillenkoker en het gepatchworkte telefoonhoesje die ik nu dagelijks in gebruik heb (de laatste drie van stofstaallapjes) hebben me samen nauwelijks vijf euro gekost. Maar soms lijk ik er wel verliefd op, zo graag pak ik ze telkens weer uit mijn (duurzaam omkeerbare) tas. Is het vanwege de zachtheid van stof en/of de vrolijke en mooie kleurcombinaties? Of omdat ik er zoveel tijd, en misschien ook gedachten in heb gestoken? Of is het (ook) omdat ik het idee heb dat deze accessoires meerdere goede doelen dienen, zoals hergebruik, een leuke tijdbesteding en besparing (ik hoef er dan geen meer te kopen).

Ik was altijd gewend om onze kersenhouten tafel te dekken met alleen papieren servetjes. Maar vorige week had ik bedacht om, ter ere van gasten, van een oud gordijn met brede, zachtgeel/oranje strepen, servetjes te maken bij een restlap met smalle geel, blauw, rode streepjes. En op die manier de tafel aan te kleden. Een damasten tafelkleed heb ik nog nooit gehad, maar ik denk dat op dat moment een damasten tafelkleed met bijpassende servetten niet meer voorpret had opgeleverd.

Oplappen van kussens

Het is nog sterker. Onze twee, nu ruim tien jaar oude, handgeweven kussens uit India bleken weer flink wat gaten te hebben. En nu kon ik ze echt niet meer onzichtbaar herstellen, zoals ik eerder wel deed. Het enige waartoe ik nog kon besluiten, behalve ze gooien in een textielbak voor industriële verwerking, was ze letterlijk op te lappen, door er kleurige staallapjes bij te zoeken, die er mooi op te borduren, en het borduurwerk tegelijkertijd nog wat uit te breiden zodat de aandacht minder naar de verbleekte stukjes zouden gaan. Door hier een begin mee te maken (ze zijn nog niet af), ontdekte ik dat ik ze zo eigenlijk nog leuker kon maken, of tenminste even leuk, waardoor ze niet alleen langer mee kunnen, maar ook nog veranderen in andere kussens.

Onze twee handgeweven effen kussens uit India, die met
stofstaallapjes langzaam veranderen in geborduurde patchwork-achtige kussens.

Dat van die kussens is beslist geen nieuwe gedachte. Het is gewoon ‘upcyclen’, een woord dat ik zelf zo’n drie jaar geleden ergens voor het eerst las: iets wat je op het eerste gezicht zou weggooien, bijvoorbeeld omdat het niet meer lijkt op het nieuw gekochte, repareer je niet: je verandert het in iets mooiers, of in iets wat beter past bij je inrichting of je garderobe dan het gerepareerde, mogelijk gedateerde product zou doen.

Design voorbeelden

Inmiddels wordt dit concept van upcycling alweer verfijnd, blijkens dit recent geschreven overzichtsverhaal ‘Nothing new, everyting new’ uit het online trendwatching blad Stylink. Dit blad (zie ook de webinar erin) komt met design voorbeelden waarbij het niet meer gaat om iets geheel nieuws te creëren, maar om uit te gaan van wat er is (‘Repurpose’, ofwel: from creator to curator). Daarbij past ook zoveel mogelijk gebruik maken van natuurlijke materialen (‘Rewild’); dat wat er is sterker maken (‘Reinforce’); en het verkennende, creatieve leerproces centraal stellen in plaats van het resultaat (‘Revive’, letterlijk vertaald: opnieuw leven).

Resultaten

Misschien ben ik vorig jaar juni ook daarom wel gestopt als wetenschapsjournalist: na 25 jaar schrijven over nieuwe ideeën en technieken voor een schoner milieu en een efficiëntere economie, is het fijn iets anders te gaan doen, zelf aan de slag te gaan met wat er is (in mijn geval: aan reststoffen in huis en omgeving). En en passant het leerproces, ik verzin hier even een vijfde verfijning, creatief op te schalen (‘Upscale’). Middels deze blogsite met, dat dan toch weer wel, resultaten.

Traditionele patchwork- en borduurtechnieken

Dat upcyclen van alle tijden is, getuige de vele overgeleverde traditionele quilt-, patchwork en borduurtechnieken in allerlei culturen om kleding, tassen en bijvoorbeeld dekens op te knappen en te maken (zie ook Schoonheid bereiken met gerafelde staallapjes).

In een tweede overzichtsverhaal komt Stylink met klassieke Japanse technieken van upcyclen. Sashiko is een borduurtechniek die me op dit moment erg aanspreekt, omdat ik nu oude spijkerbroeken verwerk. Het is namelijk een traditionele borduurtechniek om met indigo geverfde stoffen aan originele kledingstukken vast te zetten, om ze zo te verstevigen. De maker gebruikt contrasterende katoenen garens en voert geometrische patronen uit met simpele, voor ieder makkelijk uit te voeren steken, en je hoeft niet continu vakjes te tellen.

Traditionele sashiko patronen
Modern Sashiko stiksel op jeans
Zelf gebruikte ik deze borduurtechniek onder andere in een wandkleed van versleten spijkerstof dat ik maakte.

‘Rest’ komt ook voort uit het Franse rester (wat overblijft om te doen)

De herkomst van het woord ‘rest’ blijkt dicht te liggen bij dat van ‘rust’. De woorden lijken zelfs verwant.

Om meer gevoel te krijgen voor wat het betekent met resten te werken, ben ik de herkomst van het woord eens nagegaan. Woorden als ‘reste’ of ‘rest van’ duiken in Nederlandse teksten op vanaf de vijftiende eeuw, zo is te vinden in de Nederlandse etymologiebank. Aanvankelijk niet in de betekenis van resten van producten (van textiel bijvoorbeeld), maar in de betekenis van overgebleven mensen. Zoals in een geschrift uit 1415: Die reste van onsen baronen …Sullen varen an die komen daer, wat zoiets betekent als: de rest van de edelen moeten hen die aankomen tegemoet komen. Nu zeggen we natuurlijk ook nog wel: de rest (van de mensen) kan  het beste maar dit of dat gaan doen, kan bijvoorbeeld maar beter thuis blijven.

In de betekenis van stofresten/reststromen – ofwel overschot – hebben etymologen resten pas 150 jaar later gevonden, in een akte uit 1575: de reste vande twee kloosters,  – de ruïne van de twee kloosters. Het Nederlandse reste komt dan van het Franse reste (voor het eerst gesignaleerd in een tekst uit 1230).

Judopakken

Bij een rest denken we gemakkelijk aan iets passiefs. Dat gold in ieder geval voor de resten textiel die ik jarenlang in huis had liggen, iets wat maar steeds bleef liggen en ruimte innam: de bergen dunne truitjes, fladderige broeken en vestjes die we niet meer droegen, de te klein geworden judopakken, de te grote, ooit gekregen strandhanddoeken, de stapel tafelkleden in de kelder…

Dat passieve past ook bij de betekenis van het Latijnse restare – overblijven, achterblijven. Stare betekent staan in het Latijn, restare is dus misschien zoiets geweest als: dat wat is blijven staan, of, waarschijnlijker, mensen die zijn blijven staan, een passief gebeuren dus.

Hondert cronen

Maar het Franse werkwoord rester, wat meer lijkt op ons woord rest, betekent nu juist: wat overblijft om te doen (cursief van mij)’. De Fransen vonden kennelijk dat daar dan nog wel wat mee moest gebeuren…..Een betekenis die we trouwens ook zeker terug vinden in het Nederlandse werkwoord resten. Bijvoorbeeld in ‘… hondert cronen, die ghylieden rest te betalen (tekst uit 1488). Ook in het huidige, niet zoveel meer gebruikte werkwoord ‘Mij rest alleen nog…. vinden we nog dat wat overblijft om te doen.

Handdoeken

Iets met resten willen doen roept natuurlijk meteen de vraag op: wat dan? Daar kun je behoorlijk van in de stress raken. Je kunt immers met ontzettend veel ongesorteerde resten zitten, en alle resten zijn weer anders. Ik ben toen maar gewoon begonnen met een eerste groep: handdoeken. Toevallig had ik namelijk net voor ik met dit onderzoek begon ook nog eens drie vuilniszakken overgebleven textiel gekregen van een tante die naar een verpleeghuis was verhuisd, met daarin zeker twintig handdoeken.

Van stroken versleten witte handdoek bleek ik onverwacht eenvoudig mooie boekenleggers te kunnen maken: ik verfde ze met allerlei mengsels van rode koolsap, azijn, soda, rode biet, kurkuma, avocado en uienschil, en borduurde ze (zie ook Kleurstoffen). Dat gaf weer moed om door te gaan.

Rust, rost en rest

Ik merkte dat het werken met resten me rust gaf (zie ook Stof bewerken voor een betere stemming). Wat blijkt nu ook, uit de etymologiebank? Allerlei varianten van ruste, reste en roste komen in Middelnederduitse, Oudsaksische en Oud-engelse teksten vanaf de dertiende eeuw voor – in de betekenis van ‘rust’. En het Engelse rest betekent nog steeds rust. Dat de woorden rest en rust verwant zijn, is wellicht geen toeval. Misschien moeten we voor een eventuele gemeenschappelijke oorsprong toch maar weer terug naar de passieve, Latijnse term restare: iets wat overblijft. Als er iets overblijft is er genoeg van, en dat geeft rust. Of (ik bedenk maar wat): in rust zie je de resten beter. Nog eentje: wie niet mee op jacht hoeft, kan lekker rustig bij de resten blijven, dan wel er rustig mee gaan werken. Nou ja, zo kun je nog even doorgaan.

Bewaren en waarderen

Zo lijkt het me trouwens ook interessant om na te gaan welke verwantschappen er zijn tussen de woorden bewaren, waarderen en waar. Bijvoorbeeld: voordat je iets bewaart, moet je kiezen wat je bewaart (wat behoorlijk lastig kan zijn) en dus ook wat je waardeert, dan wel wat waarde heeft of wat waar(devol) of waarachtig is, of lijkt.

Ook de herkomst van jurk en rok, waar mijn aangetrouwde neef Neerlandicus Fons Moerdijk op is gepromoveerd wil ik nog bestuderen.