Pleidooi voor de (aangeklede) veger

Sta je op het punt een (robot)stofzuiger te kopen? HO, WACHT EVEN! Misschien wil je toch liever een kleurige, gestoffeerde veger.

De nieuwe schoonmaakrobotjes Dusty en Moppy (in dit filmpje gepresenteerd door een aardige meneer) zijn een verhaal op zichzelf. Hoe verzint een bedrijf het? Zuigen doet Dusty, dweilen doet Moppy. Als Dusty klaar is, op basis van zijn kaart van de kamer, rijdt hij terug naar de oplader. Onderweg geeft hij een seintje aan Moppie, die dan uit haar oplader komt om te gaan dweilen, op basis van haar kaart van de kamer.

Wie ze eenmaal heeft rondrijden kan gaan joggen, naar het strand, de kroeg, kinderen ophalen of wat dan ook. Of op de bank gaan zitten, want het moet echt geinig zijn ze te zien rondrijden. Daarbij zijn ze, afgaande op het filmpje, veel stiller dan een stofzuiger. En je hoeft ze niet te tillen, als je tenminste, met de bijbehorende app, er ook de gang mee programmeert, en ze niet boven gebruikt.

HARA-vloerwisser

Maar ook al zijn deze schoonmaakrobots stiller en lichter dan de stofzuiger, ze halen het, althans wat mij betreft, nog steeds niet bij de veger. Jawel, gewoon de veger. Een veger hoeft helemaal niet gewoon te zijn, ook al gebruiken mensen over de hele wereld hem al eeuwen. Hij kan ook prachtig in een kamer staan – zie deze 20 jaar oude veger, aangekleed met restlapjes.

Restlapjes en kraaltjes fleurden de 20 jaar oude veger van mijn familielid flink op.

Daarnaast ben ik ook supertevreden met mijn nu al 25 jaar oude, onverslijtbare HARA-vloerwisser, van wie ik nog maar twee of drie keer de dweil heb hoeven vervangen.

Ik heb wel een stofzuiger (Henry), maar die gebruik ik alleen voor de trap en onder de bedden (10 minuten per week). Als ik ooit nog eens een trap krijg zonder tapijt, koop ik helemaal geen stofzuiger meer. Misschien dat ik dan met de buurman afspreek hem zo nu en dan eens van hem te lenen, voor de bank, ofzo. Of misschien dat ik een actie start voor een gezamenlijke straatstofzuiger – eventueel robot.

Want: waarom veeg ik liever dan dat ik de stofzuiger pak?

Licht en stil

Een stofzuiger moet steeds van zijn plaats af gesjouwd naar de ruimte om schoon te maken, vaak ook nog van een trap af, wat behoorlijk wat kracht vraagt. Een veger daarentegen is zo licht als een veertje. Belangrijker nog: een veger is stil. Ben ik net onder het schoonmaken mooie muziek of een interessante podcast aan het luisteren, hoor ik alleen nog maar keihard geloei. Met een veger mis je niks.

Gezond

Oké, met stofzuigers tillen versterk je je armspieren. Maar daarna beweeg je veel minder dan met een veger die je, om ook de hoekjes goed schoon te krijgen, moet combineren met een handveger en blik. Met veger (en blik) buk je vaker, en beweeg je je armen voortdurend, waarbij ook nog geldt: hoe je meer je beweegt, hoe schoner het wordt. En, niet te vergeten, de kans op lelijk vallen op de trap (door die zware stofzuiger) is een stuk minder groot.

Goedkoop

De geavanceerde Dusty en Moppie kosten nu nog samen 2500 euro, bijbehorende filters en schoonmaakmiddel (zo’n 3 euro per keer), niet meegerekend – iets dat ook de aardige meneer uit het filmpje wel veel vindt. Maar er zijn ook al robots die niet veel duurder zijn dan een stofzuiger (zo’n 200 euro), en het kan natuurlijk goed dat de opvolgers van Dusty en Moppie straks goedkoper zijn. Maar tegen een veger van een paar euro zullen ze toch echt nooit kunnen concurreren…

Duurzaam

Gemiddeld stofzuigen Nederlandse huishoudens 1 uur per week, wat 78 kWh per jaar kost, ofwel 17,55 euro – 3 procent van de elektriciteitsrekening. Niet veel, maar toch: een veger vraagt helemaal geen energie voor het gebruik. Belangrijker is dat ook het maken, met alleen natuurlijke materialen, veel minder energie vraagt dan het fabriceren van stofzuigers en robots. Er is geen mijnbouw voor nodig, en je zit niet met allerlei metalen en elektronisch afval. Vegers zijn ook eenvoudig te recyclen: is de onderkant versleten, dan gebruik je de houten steel weer voor het maken van een nieuwe veger, vloerwisser of schrobber.

Fiezels: bewaren of weggooien

Om mijn studio op orde houden, moet ik steeds weer kiezen: Mik ik die fiezels spijkerlapjes in de prullenbak. Of bewaar ik ze als kussen- of hooimadamvulling, ook al heb ik al drie tassen fiezel (maar je weet nooit…)?

Of stop ik die kleine, rafelige stukjes in een aparte tasje omdat ik er, bijvoorbeeld, nog eens spijkerstofsieraden van zou kunnen maken (op Pinterest vind je echt hele leuke).

Wat doe ik hiermee?

Gooi ik die stukjes staallap waar ik het karton niet vanaf gescheurd krijg weg? Of zal ik er nóg een keer een tas van vlechten, zoals ik ook met succes deed in februari 2020?

Steeds dus de vraag: wat bewaar ik, wat gooi ik weg? Omdat ik het snel hierover kunnen beslissen zo belangrijk vind, om keuzestress voor te zijn, heb ik van het begrip bewaren eens gekeken waar het vandaan komt. Door me te buigen over ‘bewaren versus weggooien’, maak ik misschien betere keuzes.

Beuuarun

Al in Oud-Nederlandse teksten van de tiende eeuw is het woord beuuarun gevonden (zie de etymologiebank), wat toen zoiets betekende als ‘het oog houden op’. Na 1240 kreeg het ook de betekenis van ‘beschermen’ en ‘handhaven’. Wellicht is het verwant aan het Oudnoorse vara, waarschuwen, aan het Griekse horao – ik zie- en aan ouros – bewaker. Het kan ook nog voortgekomen zijn uit het Griekse erumai – ik bescherm, behoed.

Inderdaad, als ik fiezels of restjes stofstaal bewaar zie ik ze, en behoed ik ze voor verbranding. Wat ook geldt: ik zie ze, en ik bewaar ze omdat ik er, op dat moment, waarde aan hecht. Drie jaar geleden zou ik ze niet gezien, en zeker niet bewaard hebben, want ik was toen helemaal niet bezig met de vraag wat ik met stofresten kan, laat staan met onmogelijk kleine en rafelige restjes.

Beperkte opbergruimte

Maar dan nog: ook al zie ik nu de waarde van alle fiezels en zou ik ze wel allemaal willen bewaren omdat ik ze misschien nog eens kan gebruiken in wandkleden, sieraden of kussens, ik moet rekening houden met de beperkte opbergruimte. Een half jaar geleden had ik zeker al bij twee tassen gedacht: dit is wel genoeg de rest kan naar de stort zoveel kussens maak ik niet. Maar sinds ik hooimadammen maak, en weet dat in 1 hooimadam bijna één tas fiezel gaat, bewaar ik meer: voorlopig houd ik het, denk ik, op maximaal vier tassen. Daaronder vallen dan ook stukken echt he-le-maal versleten of verkeerd geverfde handdoek, gladdig dun kledingpolyester en anderszins lelijk stof dat ik tot fiezel kan verknippen.

Deze hooimadam houdt pannen met graan, peertjes of vlees warm, zodat het erin kan garen wat energie bespaart. Er zit een tas fiezel in. De hoes is van Qjuti Oekostof en gekocht op de markt.

Soms heb ik resten weggegooid waar ik dan later toch spijt van kreeg. Maar soms heb ik geluk. Dan heb ik, na lang twijfelen, een resttype gehouden dat ik later inderdaad blijk te kunnen gebruiken. Dat was het geval met de kartonnetjes van de stofstalen. Die zitten nu in een wandkleed in wording, boekenleggers genaamd.

De op het eerste gezicht waardeloze kartonnetjes (met de rondjes erin voor de houdertjes), blijken mooi te staan in mijn wandkleed boekenleggers. Gasten kunnen er boekenleggers uit kiezen. De lege plekken kan ik dan weer met nieuwe vullen. Of ik kan het wandkleed opknippen. (Staalboek is van Fabricut, gekocht bij Kringloop Wageningen)

Nu spaar ik ook al knopen, ritsen, banden, klosjes naaigaren, restbolletjes zijdedraad – allemaal in verschillende tasjes. Het is natuurlijk heerlijk veel keus te hebben, bij het kiezen van kleuren, texturen en lengtes. Maar het moet niet te gek worden met mijn verzamelingen. Ik heb ook al zeker vier kleine-lapjes tassen op kleur: zwart-wit, blauwig, groenachtig en rood/oranje. Dan nog twee tassen met grotere lappen en voeringstof, een tas vilt, een ton wol, en nog een doos met niet meer te verkopen kledingstukken.

Dus ja, het blijft schipperen: Hoe langer ik met stofresten bezig ben, hoe meer ik de waarde ervan in zie en ze dus wil bewaren, wil behoeden tegen verbranding. Tegelijkertijd wil ik op dit moment het aantal verzamelingen ook niet te veel uitbreiden omdat ze (kast)ruimte kosten, en vooral ook tijd – om het overzicht te houden.

Lees ook over mijn voorzichtig inkoopbeleid om de Kasten op orde te houden

En over Industriele oplossingen voor de resten van de resten van de resten

Met een hooimadam al half van het gas af

Een fantastische manier om stofresten te verwerken blijkt het maken van een hooimadam. Rijst of boekweit even koken, pan inwikkelen, en gewoon iets anders gaan doen tot je aan tafel wilt.

Hoe meer win’s er voor een product gezet kunnen worden, hoe beter. Zo’n echt win-win-win-product is de hooimadam, om gerechten in te garen zonder gasfornuis. Ik kwam erop via het duurzaamheidsplatform Change-Inc, waar ik een afbeelding vond van de ecostoof, een gestandaardiseerde en hele mooie uitvoering van de hooimadam. Toen ik die mooie ecostoof zag, wilde ik hem natuurlijk meteen zelf maken.

Al googlend op ‘zelf maken ecostoof’, belandde ik al snel bij Lydia, met uitleg en foto’s over hoe ze hem maakte. Binnen no time had ik ook het fotoverslag gelezen van Aad Actief, die hem pannentent noemde, en van mevrouw Tok. In de studio lag nog een mislukte, zelfgemaakte zomerjurk waarvan de kleuren precies pasten bij de muur van de eetkamer dus hup, aan de slag.

De fijn geknipte stofrestjes binnenin de hooimadam isoleren de pan zo goed, dat de peertjes of appelcompote vanzelf garen.

Het idee is niet nieuw. In de jaren negentig gebruikte ik al een door mijn vader gemaakte, met schuimplastic geïsoleerde hooikíst. Een bepaalde pan paste precies in de uitgesneden holte. Maar omdat kist en pan op een gegeven moment lelijk waren geworden, was de klad erin gekomen en had ik ze weggedaan. Een stoffen was ik nooit eerder ergens tegen gekomen.

Zacht en flexibel

Natuurlijk is een kist steviger, maar ook harder. Hooimadams zijn juist zo fijn omdat ze lekker zacht zijn. En ze zijn ook flexibel in gebruik – stof voegt zich naar de pan. Misschien gaan ze minder lang mee dan met schuimplastic gevulde kistjes, maar daar staat tegenover dat je in zo’n drie uur weer een nieuwe hebt gemaakt. Sneller zelfs, als je de dikke, met restreepjes gevulde platte kussens onder, boven en aan de zijkanten van voeringen voorziet, wat ik heb gedaan, zodat ik alleen de geel-witte hoes hoeft te vervangen. Ik heb hem nu een week, en er stoofpeertjes (2 uur garen), bietjes, appelcompote, basmatirijst, pompoensoep (half uurtje), en boekweit (half uurtje) in gegaard. Alleen de peertjes heb ik nog een kwartiertje extra gekookt, om ze echt lekker zacht te krijgen.

Lekker blijven lezen

Het is fijn dat je aan tafel kunt gaan wanneer je zin hebt, en, terwijl je lekker met een drankje zit te lezen, ook niet steeds mogelijk aanbranden of doorkoken hoeft te checken. Daarnaast verminder ik de CO2-uitstoot, én ben ik zonder een cent te hoeven uitgeven al half van het gas af. Volgens Milieucentraal zorgt een gasfornuis gemiddeld per jaar voor 70 kilo CO2 uitstoot (37 kubieke meter gas, ofwel iets minder dan 600 kilometer auto rijden). Als je dan de gerechten die het langste moeten koken (deels) in de hooimadam zet, scheelt dat zeker de helft.

Afrikaanse variant

Oké, 35 kilo CO2 is niks op een jaarlijkse uitstoot van 52,4 gigaton wereldwijd – 1 keer per jaar minder op en neer naar Amsterdam met de auto – maar alle beetjes helpen. Bovendien: wat als honderd miljoen mensen hooimadams zouden gaan gebruiken? Tot mijn verrassing kwam ik op bovenstaande blogsites ook een Afrikaanse variant van de ecostoof tegen, de wonderbag, die vrouwen nu maken in Rwanda, Uganda, Jordanië, Zuid-Afrika en Malawi. Het fonds dat deze ontwikkeling steunt, Wonderbagworld, heeft allerlei berekeningen gemaakt. Volgens de site zijn er wereldwijd nog 3 miljard mensen die, per maaltijd, een bundel hout gebruiken. Met een wonderbag kan dit teruggebracht tot 1 bundel per week. Honderd miljoen wonderbag-gebruikers, zouden zo tot 8 % van de wereldwijd afgesproken CO2 reductie voor hun rekening kunnen nemen.

Stimuleren van ondernemerschap

Maar ook: vrouwen en meisjes sparen uren per week omdat ze minder vaak hout hoeven te gaan hakken, soms ook een onveilige tocht; de wonderbags zorgen voor ondernemerschap en het gebruik ervan nodigt uit tot nieuwe recepten. Het is zo’n eenvoudige en goedkope vinding. Waarom is die niet eerder breed verspreid? Wellicht omdat mensen door de eeuwen heen andere manieren hadden om eten zonder extra brandstof te garen, onder de deken bijvoorbeeld, of op de kachel. Of ze hadden gewoon gas of hout genoeg.

Voor nu is het zaak allerlei gerechten in mijn hooimadam te proberen, waaronder een paar van de recepten op Wonderbagworld. Wordt vervolgd dus.

Kleuren met kurkuma, avocado en rode kool

De meest saaie reststoffen kun je prachtig kleuren met gewone groenten- en wortelresten, plus wat soda en azijn.

In mijn eerste negen blogs heb ik al over veel geschreven: over de eindeloze hoeveelheid leuke tassen, kussens, portemonnees, servetten, boekenleggers, etuis en vele andere handige producten die je kunt maken van handdoek, stofstalen en spijkergoed, over de (beperkte) mogelijkheden om met resten in serie te werken, over de rust die iets tastbaars maken kan geven, over upcycling en upscaling, over hoe je in wandkleden materiaaleigenschappen kunt onderzoeken, over waar het woord ‘rest’ vandaan komt.

Maar wat ik nu, sinds ik begon met deze studio, het allerverrassends vond is dit: de meest saaie en ‘foute’ reststoffen kun je prachtig kleuren met gewone groenten- en wortelresten, plus wat soda en azijn. Neem een paar rode koolbladeren, kook die in water, en de daarin sudderende lapjes witte handdoek of katoenen gordijnrest kleuren helder paars. Doe er wat azijn bij, ze veranderen in roze, doe er wat soda bij, ze worden groen of, bij wat meer, blauwpaars. Lapjes in water met kurkuma kleuren helder geel, met gekookte avocadopit bruinrood, en met rode biet helder rood. Oranje en bijvoorbeeld lichtgroen, zalm of lichtblauw krijg je met mengingen. Lichtere kleuren krijg je door de lapjes eerst te verzadigen met water, zodat ze minder kleurstof opnemen.

Delen van het wandkleed dat ik maakte van gekleurde lapjes versleten handdoek.

Begin december 2019 kwam ik bij toeval op het idee te gaan kleuren toen ik een keer, na het snijden van kurkuma, mijn handen niet goed schoon kreeg. Al binnen een half uur had ik schitterend gele lapjes, dezelfde dag fietste ik nog naar de winkel voor rode kool. Daarna lagen weken lang lapjes in uiteenlopende tinten onder de verwarming te drogen.

Tasje van met natuurlijke verven gekleurde stukjes laken en restjes ongebleekt katoenen gordijn. Met propjes rode kool en kurkuma wortelstukjes (met of zonder soda) kun je ook stempelen.

Flabbergasted

Ik was helemaal flabbergasted. Al die jaren dat ik scheikunde tot en met zes atheneum had gedaan, een academische graad haalde in de Moleculaire wetenschappen, en ook nog eens als scheikundedocent werkte, had ik me nooit gerealiseerd dat het zo eenvoudig en goedkoop was om stoffen te verven. Maar even googlen leerde later dat er wel instructie artikelen, boeken en filmpjes zijn – zoals dit Amerikaanse on-line overzicht over hoe je allerlei planten ervoor kunt gebruiken, en het recent in Nederland uitgekomen boek Eco-verf. Sommige instructies maken ook een koppeling naar scheikundeformules zoals dit lesfilmpje, waarin de hoofdpersoon met rode kool en kurkuma een t-shirt kleurt.

Wat bleek nu precies (zie de tinten in dit stuk wandkleed)? Rode koolsap verkleurt met azijnzuur meteen roze, en met soda (base) tot blauw, terwijl rode bietensap en avocadopittensap ook met zuur en soda hetzelfde rood/roodbruin blijft. Kurkumasap blijft met zuur hetzelfde geel, en met soda wordt het oranjerood. Toch even mijn oude leerboeken en Internet erbij gehaald: het lijkt erop dat rode kool de anthocyanide kleurstof pelargonidin heeft, die met wat extra base in het violet kleurend cyanidin (extra OH groep) en het blauw kleurend delphinidin (twee extra OH-groepen) worden omgezet. En dat rode biet een of meer van de 600 carotenoïden hebben. Kurkuma heeft weer een andere klasse kleurstof, curcumine die, gezien de chemische formule, ook wel een basegroep extra lijkt te kunnen gebruiken (dus verkleurt bij soda).

Ik zocht in de literatuur naar meer ideeën, en een wereld van plantenverfhistorie, handelsbelangen en hiermee samenhangende oorlogen ging voor me open. Meekrap, indigo, wouw, galappels, wede, met tientallen planten hebben allerlei volkeren eeuwenlang de prachtigste en duurste stoffen gemaakt die langs Zijde- VOC- en andere routes werden verhandeld, tot ongeveer 1870-1880, toen in opvallend korte tijd de natuurlijke verfstoffen werden vervangen door synthetische. Tja.

Wat ik zelf een goede inleiding in de geschiedenis van verfstoffen vond is Natuurlijk verven, een paar jaar geleden uitgegeven door het Textielmuseum.

Nieuwjaarskaarten met boekenleggers die ik maakte van witte handdoek gekleurd met kurkuma uit tuinbouwontwikkelingsorganisatiegebied Nextgarden in Lingerwaard (Gelderland). Vijf partners hebben er, in een bestaande kas, 1000 vierkante meter ingericht om te kijken of het nu nog uit de tropen komende peper en kurkuma hier zijn te veredelen en verbouwen, of er afzetmarkt voor is, en bijvoorbeeld ook wat het voor de herkomstlanden zou betekenen als de gewassen ook hier zouden worden verbouwd.

Bourgondisch zwart

Waar ik natuurlijk meteen ben geweest, toen hij net open was, is de tentoonstelling van de Nederlandse textielkunstenaar Claudy Jongstra in de Lakenhal in Leiden (tot 28 februari). Zij gebruikt al jarenlang natuurlijke verven, waarvoor ze ook zelf met haar team verfplanten verbouwt in haar eigen tuin in Friesland, en in de Botanische tuin in Leiden. In deze film laat ze zien hoe ze voor deze tentoonstelling  trachtte het Bourgondisch zwart van de vroegere (wollen) lakens die vanuit Leiden werden verkocht weer terug te krijgen. Bourgondisch zwart laken (ook op de tentoonstelling te zien) werd gemaakt door de fijn geweven wol te verven met aftreksels van walnoot, het blad van wede, indigo en soms ook nog cochenille. In de film is ook een vroeger staalboek met allerlei typen zwarte lakens te zien. Daarin zaten 180 verschillende stoffen, miljoenen guldens ging in de, door de mannen van het lakengilde gecontroleerde handel om. Hoe de gezinnen, vaak onder armoedige omstandigheden, schapen hielden en schoren, hoe ze wol sponnen en kleurden: processen, kwaliteiten en prijzen werden uiteindelijk door zo’n gilde bepaald.  

Op deze foto, gemaakt in de Lakenhal in Leiden is Nine te zien, het met wol en katoen geweven vloerkleed. En, aan de muur, Cosmic cry.

Inmiddels is het Boro-atelier in Amsterdam gespecialiseerd in het natuurlijk verven van (gebruikt) textiel.

Stof bewerken voor een betere stemming

De rustgevende werking van iets (af) kunnen maken is algemeen bekend. Het geldt zeker ook voor het werken met textiel, en dat is nog maar een van de waardes die het heeft. 

Afgelopen jaar heb ik, van allerlei restlappen, zeker twintig tassen gemaakt; schoudertassen, shoppers, yogatassen, laptophoezen…. Daarbij merkte ik hoe leuk dat werk was. Ik heb niet zo snel last van een slecht humeur, maar als ik me toch eens ongelukkig voel blijkt het vaak te helpen iets moois en/of nuttigs te gaan maken. Ik kan werkelijk ineens weer helemaal opleven als een vriendin, achternichtje, vroegere collega of kennis van een kennis alleen maar laat doorschemeren het wel leuk te vinden om, misschien, bij haar blauwe jas …..  

Repareren van een tas is ook prima, en het helpt ook als ik zelf bedenk dat ik bij die en die jurk, die ik mogelijk dan en dan ga dragen, weleens een tas kan gaan maken. En dat dan ook doe.

Tas van de resten van oude spijkerbroeken en ongebleekt katoenen gordijn voor mijn vriendin

Brood bakken

De rustgevende invloed van het iets kunnen maken is algemeen bekend. Voor veel mensen (alle?) is het belangrijk dat hun handen resultaten voortbrengen die ze kunnen zien en voelen, blijkt uit studies die de Correspondent aanhaalt in Onze handen helpen ons beter denken en voelen. Zulke zichtbare resultaten geven een gevoel van controle en grip op de wereld. Je neemt je zogezegd voor om iets bepaalds te doen op een middag, of in een bepaalde week, doet het, en vervolgens lukt het ook, of in ieder geval steeds beter. Dat kan ook brood bakken zijn, bomen planten of onkruid wieden (met als beloning die mooie tuin). Maar wellicht ook een blog schrijven (ik vond het wel fijn toen ik deze min of meer af had), of een muziekstuk uitvoeren.

Soldatenborduurindustrie

Een van de mooiste historische voorbeelden waarbij met stof de stemming werd verbeterd is de Disabled Soldier’s Embroidery Industry. Engelse mannen die gehandicapt in 1918 uit de loopgraven kwamen, kregen naai- en borduurpakketten aangeboden om verveling tegen te gaan, trauma’s te verwerken en wat bij te verdienen. Ook dat laatste was belangrijk, vond mede-oprichter Ernest Thesiger, beroemd filmacteur en zelf enthousiast borduurder sinds hij zijn handen in de Eerste Wereldoorlog had verwond. Bij kunnen dragen aan het huishouden gaf immers ook eigenwaarde. In 1927 had de Industry 100 man aan het werk, en 60.000 pond in kas. De beste borduurders maakten lopers, wandbedekkingen, stoelbekledingen en kussens in opdracht van kerken en de rijken, en sommigen ontwierpen zelf ook patronen, het werk van anderen werd verkocht in winkels voor de middenstand. Wat hielp bij de marketing was dat de oprichters linken wist te leggen met belangrijke fabrikanten, zoals Pearsall’s die zijde en wollen draden beschikbaar stelde, en Weldon’s die adverteerde met borduurworkshops en patronen.

Op 500.000 gehandicapte Engelse oorlogsveteranen waren 100 mannen niet zoveel. Maar de symbolische en emancipatoire waarde dat mannen gingen borduren, en dat ook heel goed bleken te kunnen, was groot, legt de Ierse design onderzoekerJoseph McBrinn uit in een open essay. Ook andere mannen gingen daardoor borduren, en zich daardoor wellicht beter voelen. Op een gegeven moment schijnt queen Mary, die regelmatig tentoonstellingen bezocht, uitgeroepen te hebben dat ‘Lord Guinford net zo’n expert was in borduren als in paardrijden’. In 1955 ging deze borduurindustrie ter ziele, nadat enkele belangrijke oprichters/docenten en sympathiserende leden van het koninklijk huis waren overleden.

Na de Eerste Wereldoorlog gingen teruggekeerde Engelse soldaten borduren

Nationale Feestrok

Ook rustgevende én emancipatoire en waarschijnlijk ook gezelligheidswaarde, maar dan vooral voor vrouwen, had na 1945 in Nederland het verbindende project Nationale Feestrok, ook wel Bevrijdingsrok of Levensrok genoemd. De rok stond voor harmonie, saamhorigheid en samenwerking. Zoals de oproep in damesbladen, ondertekend door vrouwenrechtenvoorvechtster en schoonheidsspecialiste Mies Boissevain-Van Lennep het verwoordde: ‘De rok wil uitdrukking geven aan de gedachte, dat de mens altijd onderdeel blijft van zijn volk; (…) Vrouwen zijn degenen, die de saamhorigheid hecht maken door het werk van haar handen en haar hart.’ (Mies had in 1937 eerder ook al met vriendinnen een ‘briefkaartenregen’ georganiseerd aan minister Romme van Sociale Zaken, die betaalde arbeid van vrouwen buitenshuis nagenoeg wilde verbieden).

Vrouwen werden, onder andere via een damesblad, opgeroepen een rok te maken van stukjes gedragen kleren die voor hen emotionele waarde hadden. Daarbij werden ze gevraagd een ontwerp te volgen: bijvoorbeeld de zoom moest uit effen driehoeken bestaan, en de bevrijdingsdatum moest in het midden worden geborduurd, andere herinneringen konden er (later) ook op worden geborduurd. Moeders zouden hem moeten nalaten aan hun oudste dochter zodat zo een ‘rokkengeschiedenis’ zou ontstaan. Uiteindelijk hebben vrouwen de rok op nationale feestdagen gedragen, en zijn zo’n 4000 rokken geregistreerd in het archief van de Vrouwenbeweging op de Keizersgracht in Amsterdam.

Een van de bewaarde bevrijdingsrokken, nog eens tentoongesteld in de expositie Weef, in Museum Flehite in Amersfoort (oktober/november 2020)

Laptoptassen en een geborduurd bos

Ook nu zijn er gezamenlijke initiatieven waarin het werken met textiel meerdere waardes heeft. De in Nederland onlangs opgerichte sociale onderneming I-did – met een vestiging in Utrecht en Den Haag – combineert meerdere waardes. Behalve dat de medewerkers laptoptassen, acoustische interieurproducten en assesoires (leren) maken van gerecycled vilt, krijgen ze ook communicatielessen in het bedrijf, met als doel daarna door te kunnen stromen naar een betaalde baan.

Vorig jaar was in Panorama Mesdag het prachtige multimediale en gezamenlijke borduurproject Honderdduizend bomen en een bos van draad te zien, geleid door kunstenaar Sara Vrucht. In 2020 konden mensen in vier pop-up-ateliers, waaronder Museumfabriek Enschede en Botanische tuin Leiden, meeborduren aan een groot bos waar je straks doorheen kunt lopen, en dat uiteindelijk ook tot nieuwe, echte bomen kan leiden vanwege de zaden die erin zijn gebracht en de oproep tot donaties aan het planten van bomen door onder andere natuurorganisatie IVN. In het werk zijn herinneringen en ervaringen van deelnemers met bos en natuur verwerkt.

Nog een voorbeeld van hoe je een herinnering aan een product kunt meegeven: Deze tas maakte ik van de versleten hangmat van en voor mijn nichtjes, die jaren in de tuin in die hangmat hadden gelegen. Voor de tas had ik eerst de beste stukken eruit uitgeknipt, en daarna de kleine, beschadigde plekjes weggewerkt met band en kraaltjes.
De minder goede delen gebruikte ik in een tweede tas als band, en als voering/versteviging.

(Industriële) oplossingen voor de resten van de resten

In mijn stofreststudio groeit het aantal stofresten. Gelukkig werken steeds meer partijen aan industriële recycling.

Mijn ideaal is een studio zonder resten. Ook voor de resten van de resten van de resten – de echte scrap: kleine, rafelige stofflinters – wil ik bestemmingen zoeken. Ideeën heb ik genoeg: kussenvulling, stoffen sieraden, vulling voor pannenlappen, er nette smalle reepjes van vouwen, die aan elkaar maken en deze vervolgens vlechten. Ik ben nu bezig met een wandkleed van spijkerstofresten (zie ook Experimenteren met spijkerstof).

Ook op Pinterest zijn inspirerende voorbeelden te vinden voor het verwerken van scrap, zoals Seven ways to use your scrap van quilt docent Karen Brown (hoe maak je mooie quilts met kleine restjes?) En, niet te vergeten, dit driedimensionaal textiellandschap, gemaakt door een groep Peruaanse kunstenaars.

Het is de moeite waard deze prachtig aangeklede en geborduurde poppetjes van kleine restlapjes hier in detail te bekijken. Toen ik dat zag, wilde ik gewoon van de vele gekleurde restjes en draadjes die ik heb liggen ook zulke poppetjes maken, bijvoorbeeld voor de kerstboom.  

Maar toch. Intussen heb ik op zolder meer kilo’s stof(rest) dan ik ooit in mijn leven heb gehad (7 kleine en middelgrote zakken). Dat komt omdat ik, om bijvoorbeeld een bepaalde type tas, servetten of kussen voor iemand te maken, toch geregeld een restlapje erbij moest kopen in de lokale kringloopwinkel, anders kon ik dat product niet maken. Ook krijg ik van familie en vrienden steeds meer, nu bekender wordt dat ik reststoffen verwerk.

Aanvankelijk had ik me voorgenomen geen nieuwe stoffen te kopen/aan te nemen voor ik voldoende reststof had verwerkt om het aantal zakken scrap op, zeg, maximaal twee te houden. Maar had ik dat consequent volgehouden, dan had ik me afgelopen jaar denk ik vooral met scrap verwerken bezig gehouden – dus kussens, dekens of wandkleden maken waar ik eigenlijk niet direct een bestemming voor had.

Prullenbak

Gelukkig komen er ook industriële oplossingen. Toen ik begon dacht ik nog dat ik mijn te veel aan scrap in de prullenbak zou moeten mikken. Waardoor door mij uiteindelijk misschien nog zelfs meer textiel verbrand zou worden dan voor ik met deze studio begon. Maar inmiddels weet ik: dat hoeft niet. Als het aantal kilo’s te gek wordt, kan ik zakken in een bak doen van Sympanie, een landelijk opererend inzamelingsbedrijf dat het textiel wat niet opnieuw draagbaar is (zo’n 35 %) zoveel mogelijk levert aan een aantal jonge, (deels) industrieel werkende recycle bedrijven.

Proeffabriek

Zoals Saxcell, een Twents bedrijf dat voortkomt uit Hogeschool Saxion. En dat onlangs, met drie Turkse textielbedrijven, een proeffabriek in Goor is gestart. Dagelijks levert deze nu 100 kilo vezelpulp voor in kleding en handdoeken – jaarlijks 36.500 kilo. Katoen kan naar VRK Isolatie gaan, dat dit vervezelt tot het isolatiemateriaal Metisse, wat sinds vorig jaar bij de Gamma ligt. En zo kunnen sinds kort oude dekbedden naar Ducky Dons, die de dons eruit haalt en het in weer nieuwe dekbedden verwerkt. Met jaarlijks 145 miljoen kilo afvaltextiel in Nederland (waarvan 94 miljoen kilo bij genoeg capaciteit te recyclen zou zijn) is de kans dat mijn scrap, als ik het bij Sympanie in de bakken doe, gerecycled uit de keten komt nog klein, denk ik. Maar ik werk dan in ieder geval mee aan deze nieuwe ontwikkeling.

Stoom

Ook onderzoeksinstituten werken aan recycling technieken, waardoor de capaciteit om resttextiel te verwerken hopelijk snel stijgt. In dit filmpje bijvoorbeeld, is te zien hoe het Hong Kong Research Institute of Textiles and Apparel HKRITA, met investering van de H&M Foundation, tussen 2016 en 2020 een proces heeft ontwikkeld waarbij het met stoom  (110 tot 150 graden) en milieuvriendelijke chemicaliën katoen en polyester weet te scheiden, zodat deze makkelijker zijn te recyclen.

Langer gebruiken

Maar ja, uiteindelijk vind ik natuurlijk ook dat het bij die industriële verwerking zoveel mogelijk om de scrap moet blijven gaan (zie de Correspondent: Met recycling alleen kom je er niet). Eerste streven moet blijven kleding en huistextiel langer te gebruiken. Niet alleen vanwege het milieu – industriële recyling kost energie, water en materialen, zoals in scheidingsmachines -, hergebruik en upcyclen kunnen ook extra werk bieden in regio’s, mogelijk ook leuker dan nu in de grote fabrieken. Maar dat vraagt dus wel een andere textiel economie.

Eerlijke-prijzen-economie

En daar zijn gelukkig ook al allerlei initiatieven voor: cradle-to-cradle, ‘regeneratief’, circulair, een eerlijke-prijzen-economie, of ongeveer eentje zoals geschetst in het recent uitgekomen visiestuk A new textile economy van de Ellen MacCarthy foundation. Daarin staat trouwens ook het schokkende cijfer dat we wereldwijd sinds 2002 onze kleding de helft minder vaak dragen dan nu – zoveel sneller dan nodig gaat deze de prullenbak in.

Minder gehoor geven aan fast-fashion, meer recycling en minder vaak de kleren wassen en drogen met de machine (dat kost nog het meeste energie), wordt ook bepleit in het kritische filmpje The lifecycle of a t-shirt –  onderdeel van een TedEx lessenpakket The nature of our stuff voor Amerikaanse scholen. Zelf geef ik spijkerbroeken onder andere een extra leven in een wandkleed. Leuk werk, en het gaat onze gang opfleuren, maar ik doe wel vele zondagen en zaterdagen over het verwerken van vier spijkerbroeken….

Dichten op zijde

Over hoe twee beroemde Chinese kunstenaars eeuwen geleden hun verlangens in stof uitdrukte

Een van de leukste kanten van textielarbeid is dat er zoveel stof in zit voor verhalen. En verhalen, zeker van het type: er was eens ergens ver weg…., zijn weer leuk omdat ze stimuleren tot nadenken over hoe het ook anders geweest had kunnen zijn, als er andere waarden en normen zouden heersen. Ik pak er hier twee, uit de vele die de Engelse cultuurjournalist Kassia St Clair aanhaalde in haar textiel-historisch boek De Gouden Draad. Allebei verhalen ze over het verlangen van vrouwen naar hun man.

Ontredderd

In de vierde eeuw was er in China een vrouw, Su hui geheten, die helemaal ontredderd was omdat haar man, een hoge ambtenaar, zich in een ver woestijngebied bevond en haar daar ook nog eens ontrouw was. Ze ging echter niet bij de pakken neerzitten maar zette haar verdriet en boosheid om in een gedicht op zijde, een eigen ontworpen palindroom van 29 maal 29 (= 841) keurig geborduurde karakters. Niet alleen kunnen Chinezen deze tekens omkeerbaar lezen, van bovenaan rechts naar beneden en andersom, ze kunnen ook in elke richting door de tekst dwalen: horizontaal, verticaal of diagonaal, waardoor het werk meer dan drieduizend mogelijke gedichten bevat. Su hui stuurde de geborduurde zijde naar haar man, Dou Tao, en volgens de overlevering was hij zo onder de indruk dat hij bij haar terug kwam.

Su hui en haar palindroom, geschilderd met inkt op zijde in – waarschijnlijk – de zeventiende eeuw (nu in Harvard Museum). In Europa werkt nu de Norwich University aan een vertaling van het gedicht van deze vrouwelijke dichter/borduurster.

Dan het verhaal van de twaalfde-eeuwse Chinese keizer Huizong (1082-1135), ook aangehaald in De Gouden Draad. Politiek werd deze keizer van de Song dynasty gezien als een loser, omdat hij zijn troon aan naburige Jurchen verloor. Maar zijn talenten als kunstenaar werden alom erkend. Hij speelde guqin, hij dichtte, kalligrafeerde en schilderde. Een van zijn mooiste schilderijen is het ‘Hofdames bezig met het voorbereiden van pasgeweven zijde’ dat hij kopieerde van Zhang Xuan, die het in de achtste eeuw schilderde.

Gekapte concubines

Te zien is hoe groepen schitterend geklede en gekapte keizerlijke concubines nieuw geweven zijde wassen, strijken en naaien, in een jaarlijks zijderitueel, gongkan geheten. Mogelijk dat de keizer/schilder met de taferelen zinspeelde op de erotische poëzie, waarin bijvoorbeeld het kloppen van doek vaak diende als eufemisme voor de vrouwelijke lust.

Kopie van ‘Hofdames bezig met het voorbereiden van pas geweven zijde’, inkt, kleurstoffen en goud op lange rol zijde (Museum of fine arts Boston).

St Clair schrijft dat de keizer, ‘via zijn zijden schildersdoek wilde laten zien dat deze prachtige, in zijde gehulde vrouwen hun onvervulde verlangen naar hem stilden door nog meer zijde te maken’, en daarbij haalt ze twee (mannelijke) auteurs aan. Maar dan denk ik toch: heeft hij dit verlangen inderdaad gehad of had hij, ten tijde van dit schilderij (ook) andere verlangens in zake zijn concubines? Kan de schildering niet net zo goed getuigen van, bijvoorbeeld, de liefde of bewondering van Huizong voor zijn concubines (of eentje?), gezien de schitterende details die hij in de jurken en kapsels aanbracht?

Alleen zijn

Waarbij ik me meteen afvraag hoe zeker de geschiedschrijvers eigenlijk weten dat Su hui borduurde uit ontreddering en verlangen naar haar man Dou Tao. Misschien vond ze het (ook wel) heerlijk alleen te zijn, omdat ze dan veel tijd had om lekker te borduren. En stuurde ze de zijde op omdat ze graag wilde dat de mensen in de woestijn haar werk ook zagen.

Wat is het (echte) verhaal achter deze anno 2020  in Nederland gemaakte omkeerbare tas van drie restlappen? Bijvoorbeeld dat de maker (ik dus) graag een tweeledig duurzame tas wilde: hij is namelijk gemaakt van reststoffen, en als hij vuil wordt kun je hem omdraaien waardoor je hem minder vaak hoeft te wassen (wat ook water en zeep bespaart)

En/of: de maker wilde een tas die bij haar rode bamboe jurk past

En/of: de maker had al een roze/rode portemonnee en telefoonhoes gemaakt, en wilde er een bijpassende tas bij (en had toevallig ook rood/roze stof in voorraad).

En/of: de maker had gewoon veel zin om gewoon iets te naaien, en had toevallig deze drie lappen liggen.

En/of: de maker was een onderzoek naar hergebruik reststoffen gestart en dacht: een goede bestemming is tassen dus laat ik daarmee aan de slag gaan.

En/of: de maker was, na 25 jaar te hebben gewerkt als wetenschapsjournalist op zoek naar nieuw werk, en dacht: misschien kan ik over het maken van tassen gaan schrijven…

En/of: ….

Schoonheid bereiken met gerafelde staallapjes

Om snel de prachtige verfijning te krijgen van Nederlandse quilts, vlocht ik gerafelde repen staallapjes tot een palet van 250 vierkantjes. Die verfijning verkreeg ik niet. Mogelijk is voor dat type schoonheidsbeleving (ik noem het maar even verfijning) toch meer regelmaat en nette afwerking nodig.

Afgelopen 200 jaar hebben stofproducenten voor meubels, tafelkleden en gordijnen duizenden staalboeken gemaakt met samen een oneindige hoeveelheid aan kleurige lapjes met bloemen-, streepjes- en andere patronen. Dat is, om te beginnen, historisch interessant:

Oud staalboek van tafellinnen stoffen van linnenweverij Van Dissel uit Eindhoven. Hun designer Chris Leveau ontwierp voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog in het linnen meer dan 50 patronen met bloemen, dieren en geometrische vormen. Het staalboek, met veel van die patronen, is te zien in de tentoonstelling Damast – 150 jaar tafellinnen in Nederland in het Textielmuseum.

Voor mij waren afgelopen jaar staalboeken ook interessant, omdat je met de lapjes zo goed kan quilten en patchworken. Voor vijf euro per stuk vond ik in een kringloopwinkel drie staalboeken. Zo had ik al snel thuis ineens meer dan 200 allemaal verschillende staallapjes in groene, rode, blauwe  en gele tinten.

Ik tornde de lapjes los, en van de met karton verstevigde randen vlocht ik een fleurige, stevige tas om ze in te doen. Over dit hergebruik was ik erg tevreden, omdat ik van te voren dacht: hiermee iets doen gaat echt niet lukken… En deze handwerktas heb ik nu nog in onze huiskamer staan.

Vervolgens startte ik met quilten. Dat wil zeggen: met het naaien van het type patchwork lappen die vrouwen eeuwenlang voor rokken, kleden of bijvoorbeeld dekens maakten. Al proberend kwam ik erachter dat ik ‘rustige’ lapjes moest afwisselen met drukke lapjes, en op een klein oppervlak ook niet te veel kleuren moest gebruiken. Zo slaagde ik er uiteindelijk in kussens voor de bank van mijn oudste dochter te maken, waarbij ik een beperkt aantal staallapjes combineerde met een grotere, effen restlap die ik nog had liggen. Ook lukte een kussen van maar twee kleuren, omdat ik toevallig één staalboek vond met relatief grote lappen (ongeveer 30 bij 30 centimeter), waardoor ik wel voldoende kon herhalen.

Eenvoudig patchwork kussen van enkele, op elkaar lijkende lapjes. Achteraf denk ik dat het mooier is om kleinere lapjes te gebruiken.

Zijde en sits

Dat ik moet afwisselen tussen druk en rustig (of donker en licht) had ik kunnen weten, realiseerde ik me deze week bij het lezen van de Geschiedenis van de Nederlandse quilt van Ann Moonen. Kijk naar de professionele Nederlandse professionele quilts (ook moderne). Vanaf de zeventiende eeuw kende Nederland een levendige quilt traditie vanwege zijn handel in zijde en sits (glanzende, met bloemen bedrukte katoen uit India). Welke schitterende patchwork lap je in An Moonen’s boek ook bestudeert, er is een afwisseling van bedrukt (vaak donker) en (bijna) effen – het effen is vaak wit met een hele kleine, fijne tekening.

Rafelen

Maar ook met afwisseling vond ik de staallapjes niet ideaal om te patchworken. Misschien door het type stof (niet alle lapjes zijn katoen), of misschien omdat je van elk lapje maar 1 exemplaar hebt, waardoor je minder kunt herhalen. Juist terugkerende motieven zijn in quilts vaak zo mooi. Ik zocht daarom ook naar alternatieve technieken, zoals de zomen aan de achterkant rafelen en dat werk versieren met knoopjes (zie foto tasje).

Staallapjes zijn erg geschikt om te rafelen, zoals in dit patchwork schoudertasje.

Uiteindelijk vlocht ik van gerafelde repen een groen met rood afgewisseld wandkleed voor de gang – ik hoopte zo sneller dan op de traditionele manier de verfijning te bereiken van het zo mooie, fijngemaasde patchwork dat ik op Internet zo vaak had gezien. Met bij mij dan ook nog eens, extra, duizenden fijne vezeltjes vanwege die rafels.

Tulpen en theehuisjes

Over de balans tussen groen (‘rust’) en rood (‘actie’) was ik, na het een paar keer uithalen en weer vlechten, redelijk tevreden. Maar om het verfijnder te maken moest ik er nog wel op borduren. Uiteindelijk heb ik er misschien vijftig of honderdvijftig uur met plezier aan gewerkt, en het staat leuk in onze gang (zie foto).

Maar eerlijk, de verfijning haalt het toch echt bij lange na niet bij de meeste traditionele quilts uit het boek van An Moonen. Met als topstuk wel die schitterende lap uit Utrecht, van circa 1830. Ruim 3000 perfect uitgeknipte katoenen driehoekjes telde ik, die keurig netjes met de hand eerst aan elkaar, en daarna op linnen genaaid waren – ‘geen rafeltje te bekennen’, schrijft Moonen. Waarna de naaister (of naaier?) ook nog eens een rand heeft geappliqueerd met tientallen levensechte rozen, tulpen, pauwen en theehuisjes in de juiste verhoudingen. Het moet, daar in het Gooi begin negentiende eeuw, om vele honderden uren zijn gegaan. Misschien heeft er een hele familie aan gewerkt, of is het een project over meerdere generaties geweest.

Regelmaat

En dat deed me afvragen waarin nu de verfijning en daardoor ervaren schoonheid van een quilt of patchwork kleed zit. Is het de regelmaat van de allemaal even grote vakjes, en daarmee de voorspelbaarheid? Rafels maken het fijner, maar ook onregelmatig. Maar misschien is het vooral dat de gevlochten blokjes in mijn wandkleed allemaal van net even van een andere grootte, en vaak ook nog wat schots en scheef zijn. Ik weet niet of het technisch mogelijk is om keurig recht te vlechten, en dan te rafelen. Misschien moet ik, voor die verfijning, toch gewoon nog eens proberen om op de klassieke manier met staallapjes te patchworken, maar dan met netjes gesneden veel kleinere vierkantjes en gecombineerde driehoekjes.

Regelmaat (in de zin van terugkerende maten of getalsverhoudingen) kan een aspect van verfijning of schoonheid zijn. Maar een wandkleed/patchwork moet natuurlijk ook weer niet te voorspelbaar (is saai) gaan worden. Vandaar dat afwisseling in kleur en combinaties natuurlijk ook belangrijk is.

Bij deze mooie, moderne Nederlandse quilt (zie Dutchquilt.com) zijn ook honderden lapjes netjes aan elkaar genaaid. Regelmaat zit hem hier in de afmetingen van de afzonderlijke blokjes, die allemaal (alleen of met een paar samengevoegd) precies even groot zijn. Saai is het zeker niet, onder andere omdat elke grotere blok anders is samengesteld.

Buitenlandse quilts en patchwork zijn te zien bij het international quilt museum  

Zie hier vijf manieren van quilter Karen Brown om te quilten met restjes stof. 

Staallapjes bleken ook geschikt om een versleten Indonesische wajang pop opnieuw aan te kleden

Zie voor meer producten van staallapjes: ‘Staalstoffen portemonnee in serie’

Verliefd op upcyclen

Het is alweer ruim een jaar geleden dat ik startte als restoffenverwerker. Langzamerhand ben ik, met ook nog een klein groente- en fruithoekje in onze tuin, in een heel andere economie beland dan toen ik nog werkte als wetenschapsjournalist, eentje met een minder duidelijke of in ieder geval andere relatie tussen producten, het geld dat ze kostten, en de waarde die ik eraan toeken.

De blauwe laptophoes, de rode stoffen portemonnee, de zachte groene brillenkoker en het gepatchworkte telefoonhoesje die ik nu dagelijks in gebruik heb (de laatste drie van stofstaallapjes) hebben me samen nauwelijks vijf euro gekost. Maar soms lijk ik er wel verliefd op, zo graag pak ik ze telkens weer uit mijn (duurzaam omkeerbare) tas. Is het vanwege de zachtheid van stof en/of de vrolijke en mooie kleurcombinaties? Of omdat ik er zoveel tijd, en misschien ook gedachten in heb gestoken? Of is het (ook) omdat ik het idee heb dat deze accessoires meerdere goede doelen dienen, zoals hergebruik, een leuke tijdbesteding en besparing (ik hoef er dan geen meer te kopen).

Ik was altijd gewend om onze kersenhouten tafel te dekken met alleen papieren servetjes. Maar vorige week had ik bedacht om, ter ere van gasten, van een oud gordijn met brede, zachtgeel/oranje strepen, servetjes te maken bij een restlap met smalle geel, blauw, rode streepjes. En op die manier de tafel aan te kleden. Een damasten tafelkleed heb ik nog nooit gehad, maar ik denk dat op dat moment een damasten tafelkleed met bijpassende servetten niet meer voorpret had opgeleverd.

Oplappen van kussens

Het is nog sterker. Onze twee, nu ruim tien jaar oude, handgeweven kussens uit India bleken weer flink wat gaten te hebben. En nu kon ik ze echt niet meer onzichtbaar herstellen, zoals ik eerder wel deed. Het enige waartoe ik nog kon besluiten, behalve ze gooien in een textielbak voor industriële verwerking, was ze letterlijk op te lappen, door er kleurige staallapjes bij te zoeken, die er mooi op te borduren, en het borduurwerk tegelijkertijd nog wat uit te breiden zodat de aandacht minder naar de verbleekte stukjes zouden gaan. Door hier een begin mee te maken (ze zijn nog niet af), ontdekte ik dat ik ze zo eigenlijk nog leuker kon maken, of tenminste even leuk, waardoor ze niet alleen langer mee kunnen, maar ook nog veranderen in andere kussens.

Onze twee handgeweven effen kussens uit India, die met
stofstaallapjes langzaam veranderen in geborduurde patchwork-achtige kussens.

Dat van die kussens is beslist geen nieuwe gedachte. Het is gewoon ‘upcyclen’, een woord dat ik zelf zo’n drie jaar geleden ergens voor het eerst las: iets wat je op het eerste gezicht zou weggooien, bijvoorbeeld omdat het niet meer lijkt op het nieuw gekochte, repareer je niet: je verandert het in iets mooiers, of in iets wat beter past bij je inrichting of je garderobe dan het gerepareerde, mogelijk gedateerde product zou doen.

Design voorbeelden

Inmiddels wordt dit concept van upcycling alweer verfijnd, blijkens dit recent geschreven overzichtsverhaal ‘Nothing new, everyting new’ uit het online trendwatching blad Stylink. Dit blad (zie ook de webinar erin) komt met design voorbeelden waarbij het niet meer gaat om iets geheel nieuws te creëren, maar om uit te gaan van wat er is (‘Repurpose’, ofwel: from creator to curator). Daarbij past ook zoveel mogelijk gebruik maken van natuurlijke materialen (‘Rewild’); dat wat er is sterker maken (‘Reinforce’); en het verkennende, creatieve leerproces centraal stellen in plaats van het resultaat (‘Revive’, letterlijk vertaald: opnieuw leven).

Resultaten

Misschien ben ik vorig jaar juni ook daarom wel gestopt als wetenschapsjournalist: na 25 jaar schrijven over nieuwe ideeën en technieken voor een schoner milieu en een efficiëntere economie, is het fijn iets anders te gaan doen, zelf aan de slag te gaan met wat er is (in mijn geval: aan reststoffen in huis en omgeving). En en passant het leerproces, ik verzin hier even een vijfde verfijning, creatief op te schalen (‘Upscale’). Middels deze blogsite met, dat dan toch weer wel, resultaten.

Traditionele patchwork- en borduurtechnieken

Dat upcyclen van alle tijden is, getuige de vele overgeleverde traditionele quilt-, patchwork en borduurtechnieken in allerlei culturen om kleding, tassen en bijvoorbeeld dekens op te knappen en te maken (zie ook Schoonheid bereiken met gerafelde staallapjes).

In een tweede overzichtsverhaal komt Stylink met klassieke Japanse technieken van upcyclen. Sashiko is een borduurtechniek die me op dit moment erg aanspreekt, omdat ik nu oude spijkerbroeken verwerk. Het is namelijk een traditionele borduurtechniek om met indigo geverfde stoffen aan originele kledingstukken vast te zetten, om ze zo te verstevigen. De maker gebruikt contrasterende katoenen garens en voert geometrische patronen uit met simpele, voor ieder makkelijk uit te voeren steken, en je hoeft niet continu vakjes te tellen.

Traditionele sashiko patronen
Modern Sashiko stiksel op jeans
Zelf gebruikte ik deze borduurtechniek onder andere in een wandkleed van versleten spijkerstof dat ik maakte.

Stofstalen portemonnees in serie maken

Van staallapjes kun je prachtige producten maken zoals brillenkokers, telefoonhoezen en portemonnees. Alleen: werken in serie is maar beperkt mogelijk, omdat deze kleine, luxe lapjes steeds weer anders zijn.

Op 1 februari 2020 startte ik met tientallen prachtige kwaliteit lapjes uit drie afgeschreven staalboeken, afkomstig uit de lokale kringloopwinkel. Omdat de lapjes uit staalboeken zo klein zijn besloot ik na wat quilt-experimenten (zie Verfijning bereiken met gerafelde staallapjes), tien portemonnees te gaan maken. Na tien zou ik, hopelijk, een goed patroon/format hebben gevonden voor een serie. Werken in serie is, ook in het verwerken van resten, natuurlijk handig: gemiddeld duurt het maken van een product korter, en je kunt het werk makkelijker verdelen of helemaal uitbesteden.

Prototype

Eerst was het zoeken naar een goed ontwerp of prototype. Mijn middelste dochter (22) bleek het meest kritisch: De eerste portemonnee (gebaseerd op een patroon uit de Burda), moest echt veel kleiner, die kleinere was qua maat goed, maar met dat drukkertje ging hij te langzaam open en dicht (bij de volgende koos ik voor een duurdere magneetsluiting). Bij de derde vielen de kaartjes eruit (ze schudde ook wel heel hard), bij de vierde kon ze met geen mogelijkheid de rits dicht krijgen, de vijfde zou meteen  vuil worden  .. enzovoort. Uiteindelijk had ik er in juni negen, waarvan zes bruikbaar.

Een paar van de portemonnees die ik nu sinds maart gebruik

Oké, deze prototypes zijn nog niet netjes genoeg om cadeau te geven, voor een naaiworkshop, of voor de verkoop. Maar wellicht toch dat een stofstalen portemonnee voor een deel van de vrouwen/meisjes, nuttig kan zijn (voor mannen heb ik het niet onderzocht). In ieder geval blijkt het nu voor mij een plezierig product. Sinds maart gebruik ik alleen nog deze stofstalen portemonnees: ze zijn heerlijk zacht (vergeleken met leer), de kleuren kun je laten passen bij je stoffen tas en brillenkoker, het is beter voor het milieu, en goedkoper (mijn leren portemonnee kostte zo’n tachtig euro). Ook belangrijk: de pasjes vallen er niet uit.

Kleur- en patrooncombinaties

Uiteindelijk bleek seriewerk, in ieder geval bij de portemonnees van de drie staalboeken die ik had, maar beperkt mogelijk. Voor 1 portemonnee zijn drie of vier lapjes nodig. En omdat elk lapje verschillend was, moest ik voor elke portemonnee bij elkaar passende kleuren- en patrooncombinaties zoeken. Het zou beter gaan als je met meer van dezelfde staalboeken zou kunnen werken. Daarnaast wilde ik zoveel mogelijk tweedehands ritsen en knopen gebruiken, waardoor ik soms ritsen korter moest maken en niet alle mogelijke kleuren kon inzetten. Ook de hoeveelheid gebruikte knopen die ik in mijn studio wil bewaren is (nog) beperkt. Met andere woorden: elke portemonnee zal weer anders zijn.  Maar daardoor bleef het werk wel leuk en spannend: Hoe zouden die kleurcombinaties uitpakken?

Ook deze brillenkoker en telefoonhoes zouden in serie gemaakt kunnen worden

Seriewerk kan ook saai zijn

Hier is wel sprake van een trade off, merkte ik weer eens aan de lijve. In serie werken gaat sneller, en het proces is zekerder omdat het volgens een vast ontwerp en maakproces gaat.  Terwijl steeds iets nieuws maken, wat ik zelf het liefst doe, spannender is. Wat dat betreft is het eigenlijk juist wel leuk aan werken met resten dat dit, zo leerden ook die portemmonnees, vaker maar deels in serie kan, omdat de resten nu eenmaal steeds anders zijn – vergeleken met onbeperkt nieuwe stof kunnen bestellen. Voordeel van met resten werken is daarbij dat je vaker nieuwe producten kunt uitproberen: als het mislukt kost het minder materiaal dan als je uitgaat van nieuwe stof.

Over de eerste portemonnee deed ik nog ruim vijf uur, de laatste lukte al in zo’n 2,5 uur. Misschien is 1,5 uur haalbaar, maar dat zou denk ik stressen worden. Over een degelijke, gewassen spijkerbroek maken doet een ervaren klerenmaker waarschijnlijk al snel 3 a 4 uur. Of langer, als je ook de klinken en ritsen zelf maakt (zie bijvoorbeeld het filmpje van deze slow fashion loving, voortdurend koffie drinkende kleermaker in zijn schuur op het platteland)

In een filmpje over hoe spijkerbroeken worden gemaakt in een geautomatiseerde modelfabriek (onduidelijk waar hij staat, en van wie hij is), zag ik hoe het ook kan: 300 mensen maken er tot wel 6000 spijkerbroeken per dag, volgens de commentator. Dat is dus per persoon gemiddeld 20 op een dag. De patronen voor de 19 afzonderlijke delen worden computergestuurd gesneden in stapels van ongeveer 20 denim lappen tegelijk. Eén spijkerbroek gaat door de handen van vijfentwintig fabrieksmedewerkers.